hoe je een lening tussen een participant en deelneming rubriceert, hangt af van het feit of die participant in die deelneming de doorslaggevende zeggenschap heeft. is dit het geval? dan hanteer je zowel bij de moeder als bij de deelneming de rubriek ‘vorderingen op c.q. schulden aan groepsmaatschappijen’. is dit niet het geval (of is de participant een ‘zuivere’ personal holding die je bij een consolidatie buiten de groep zou houden), dan is de onderlinge lening een ‘vordering op (c.q. schuld aan) participanten en maatschappijen waarin wordt deelgenomen’.

 

het groepsbegrip is ook relevant voor leningen tussen vennootschappen die onder eenzelfde participant hangen. heeft die laatste in beide vennootschappen de doorslaggevende zeggenschap, dan gebruik je de rubriek ‘vorderingen op/c.q. schulden aan groepsmaatschappijen’. zo niet, dan hanteer je de rubriek ‘overige vorderingen c.q. schulden’.

 

aandeelhouders zijn geen participant

let op: met participanten wordt in dit kader altijd een rechtspersoon bedoeld! leningen aan of van aandeelhouders-natuurlijke personen moeten worden gerubriceerd onder ‘overige leningen’. is de aandeelhouder ook bestuurder, dan moeten alle belangrijke bepalingen rond vorderingen op die bestuurder wel worden toegelicht.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief