a-g niessen betrekt daarnaast nog een ander aspect bij de beoordeling van de aanwezigheid van een buitensporige en individuele last. dit betreft de vraag of de omstandigheid dat een belastingplichtige verlies uit vermogen lijdt, zou moeten leiden tot het oordeel dat hij/zij geconfronteerd wordt met een individuele en buitensporige last. dat is volgens de a-g het geval, als er wordt vastgesteld dat de belastingplichtige in het betreffende jaar (in casu 2015) er niet op kan rekenen dat hij/zij gedurende een reeks van jaren het wettelijke forfaitaire rendement kan halen met risicomijdende beleggingen (sparen).
oud en nieuw
deze procedure betreft nog het oude box-3-systeem van voor 2017, waarbij een forfaitair rendement van 4% werd gehanteerd. maar als de hoge raad meegaat in de redenatie van de a-g, zou dit ook gevolgen moeten hebben voor de beoordeling van de box-3-heffing volgens het nieuwe box-3-systeem. ook dan kan de box-3-heffing immers bij het ontbreken van voldoende rendement in box 3 moeten worden betaald met inkomen uit box 1 en/of box 2.
wachten op wetsvoorstel
vanaf 2022 gaat het box-3-systeem opnieuw op de schop. het wetsvoorstel waarin dit wordt geregeld, wordt voor de zomer ingediend bij de tweede kamer. uitgangspunt van het wetsvoorstel wordt dan dat de box-3-heffing meer aansluit bij de werkelijke verhouding tussen spaargeld, beleggingen en schulden.