de rechtbank stelt vast dat de onderneming van de vrouw in nederland is gevestigd, omdat zij in de periode 2012 – 2016 meestal in nederland verbleef. haar eerste onderneming was in nederland ingeschreven en dat was ook in de vso vermeld. de beëindigingsvergoeding moet volgens de rechtbank worden gezien als een afkoopsom voor het afzien van verdere rechten uit de agentuurovereenkomst. de btw over die vergoeding is de vrouw verschuldigd in het tweede kwartaal van 2015. de naheffingsaanslag en de vergrijpboete komen daarom te vervallen. deze waren namelijk opgelegd over het tijdvak eerste kwartaal 2016, dus te laat.