de hoge raad verwijst voor de inhoudelijke overwegingen naar een uitspraak in een andere zaak op dezelfde dag. volgens de hoge raad is de regeling van aftrek van voorbelasting  bedoeld om de ondernemer volledig te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of voldane btw. hieraan zou afbreuk worden gedaan als de bv de btw op de instandhoudingskosten van een leegstaand en voor verhuur bestemd onroerend bedrijfsmiddel niet kan aftrekken. daarbij is van belang dat het op voorhand redelijkerwijs niet kan worden uitgesloten dat de bv – zodra er een huurder is gevonden – zal kiezen voor belaste verhuur. bovendien is van belang dat nederland geen voorwaarden verbindt aan de uitoefening van het aftrekrecht bij belaste verhuur. de naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd.

afwijkende hofuitspraak

de hoge raad wijst in deze zaak het oordeel van hof arnhem-leeuwarden af, dat de bv slechts btw-aftrek toestond over het vierde kwartaal van 2012. voor het overige oordeelde het hof dat de bv geen recht op btw-aftrek had tijdens de leegstandsperiode. slechts het voornemen om het kantoorpand (belast of vrijgesteld) weer te verhuren, was daarvoor volgens het hof onvoldoende. alleen als de bv tijdens de leegstandsperiode het voornemen had om belast te gaan verhuren, zou zij de btw over de instandhoudingskosten ook tijdens de overige duur van de leegstandsperiode in aftrek kunnen brengen. zij moest dat voornemen dan wel aannemelijk kunnen maken. bijvoorbeeld door te wijzen op de ‘te huur aangeboden’- advertentie, waarin een btw-belaste (ver)huur wordt aangeboden. de hoge raad oordeelt echter dat deze voorwaarde niet volgt uit de wet. volgens de hoge raad is het al voldoende dat het leegstaande kantoorpand op zich geschikt is voor btw-belaste verhuur.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief