de hoge raad oordeelt dat artikel 2.17, lid 2 en lid 5 wet ib 2001 de belastbare inkomsten uit een eigen woning aanmerkt als een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. een dergelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner op te komen in de verhouding die zij daarvoor kiezen bij het doen van de aangifte. uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling volgt dat die inkomsten worden geacht te zijn genoten conform de gekozen verdeling. de wettekst noch de parlementaire geschiedenis biedt aanknopingspunten waaruit blijkt dat de hoogte van een gemeenschappelijk inkomsensbestanddeel uitsluitend kan komen vast te staan bij de aanslagregeling van de partner, die de betreffende inkomsten feitelijk heeft genoten.