in beginsel geldt voor de navordering van schenkingsrecht en schenkbelasting soortgelijke termijnen als voor andere aanslagbelastingen. dat is normaal gesproken vijf jaar na de schenking. voor schenkingen van in het buitenland gehouden of opgekomen vermogen is dat twaalf jaar. voor het geval echter geen aangifte is gedaan, is iets bijzonders geregeld. voor deze schenkingen gaan de genoemde termijnen pas lopen als ofwel de schenker, ofwel de begiftigde is overleden. de reden daarvoor is, dat dit moment (het eerste overlijden) het eerste is waarop de inspecteur voor de schenk- en erfbelasting mogelijkerwijs op het spoor van de schenking kan komen.
overigens stelt de dochter nog dat de navordering in strijd is met het eu-recht, maar dat heeft het hof volgens a-g ijzerman eveneens terecht afgewezen. zo kan het gebeuren dat een navorderingsaanslag schenkingsrecht nog 17 jaar na de schenking wordt opgelegd. maar onder omstandigheden zou dat ook 50 jaar na de schenking nog kunnen. al wordt de bewijslast voor de inspecteur dan natuurlijk wel lastig. hier is dat niet het geval, omdat de dochter deze informatie in het kader van de inkeer zelf had verschaft.
als het om in het buitenland gehouden of opgekomen vermogen gaat, dat niet is geschonken maar is vererfd, dan is de termijn om erfbelasting na te vorderen overigens onbeperkt.
tip
heeft je cliënt in het verleden schenkingen ontvangen, waarvan ten onrechte geen aangifte schenkbelasting is gedaan? attendeer hem of haar dan op deze bijzonder lange navorderingstermijnen.