het probleem hier is het anonieme karakter van bitcoin-activiteiten, waardoor het niet mogelijk is om precies te weten waar de afnemers zijn gevestigd. de rechtbank stelt de hoge raad daarom de volgende twee vragen:

  1. mag artikel 15, lid 1, onderdeel c van de wet ob zo ruim worden geïnterpreteerd, dat – ingeval van ernstige reële bewijsnood – met een vermoeden of met algemene statistische gegevens kan worden aangetoond dat de ontvanger van de dienst buiten de eu is gevestigd?
  2. zo ja, mogen algemene statistische gegevens over de handel in bitcoins worden gebruikt ter onderbouwing van de vestigingsplaats van de afnemers van mining-activiteiten, terwijl de handel in bitcoins niet hetzelfde is als de mining-activiteiten?

de rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan, totdat de hoge raad deze vragen heeft beantwoord.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief