de rechtbank verwerpt ook de stelling van de ondernemer dat de invoering van de aftrekbeperking (artikel 3.16, lid 13 wet ib 2001) in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. dit artikellid is namelijk ondubbelzinnig geformuleerd, zodat duidelijk is dat het huurrecht van een onzelfstandige deel van een huurwoning vanaf 1 januari 2017 niet meer kwalificeert als ondernemingsvermogen.

de voorgeschiedenis

in augustus 2016 oordeelde de hoge raad dat een vermogensrecht als ondernemingsvermogen kan worden geëtiketteerd, mits het (mede) voor de uitoefening van een onderneming wordt gebruikt. ‘mede’ houdt in: bij meer dan 10% zakelijk gebruik. in dat geval was het huurrecht keuzevermogen, waardoor het kon worden geëtiketteerd als ondernemingsvermogen. alle huurkosten zijn dan aftrekbaar van de winst, met een forfaitaire correctie daarop wegens privégebruik. die correctie betrof mede de werkruimte. doordat het huurrecht ondernemingsvermogen vormt, kwam de wettelijke kostenaftrekuitsluiting van artikel 3.16, lid 1 wet ib 2001 niet aan de orde.

dit oordeel lag echter niet in lijn met de bedoeling van de wetgever: voorkomen dat kosten en lasten van een (onzelfstandige) werkruimte in een gehuurde woning onbedoeld in aftrek zouden kunnen komen. vanwege de grote gevolgen is daarom de ib-wetgeving hierop aangepast, zodat de kosten van een huurrecht vanaf 1 januari 2017 niet meer aftrekbaar zijn.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief