de toepassing van het fideï-commis de residuo (de tweetrap) wordt gekwalificeerd als een overgang krachtens erfrecht, krachtens bijzondere titel. die wordt belast als een fictieve vervreemding op grond van artikel 4.16, eerste lid letter e wet ib 2001. valt hier nu niets op af te dingen? de fiscale wetgever heeft nagelaten om terzake deze overgang een sluitende regeling te boetseren. in de vakliteratuur worden enkele alternatieve uitwerkingen gegeven. de meest aansprekende daarvan is die van vakstudie nieuws (vn 2021/48.3). deze komt, kort weergegeven, op het volgende neer:
de zoon in onze casus krijgt direct na het overlijden van zijn vader als verwachter ook een aanmerkelijk belang, net als zijn moeder. civielrechtelijk zijn op grond van bw 4:138 tussen moeder en zoon de wettelijke voorschriften van vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing. fiscaal zou kunnen worden aangenomen dat de zoon een voorwaardelijk recht (opschortend) op de aandelen verwerft. zijn (voorwaardelijke) verkrijgingsprijs wordt gelijkgesteld aan die, geldend voor zijn moeder. aangezien zijn vader voor 2010 overleed, geldt voor zijn moeder nog steeds de oude, voor haar man geldende verkrijgingsprijs. als moeder overlijdt, eindigen haar rechten waardeloos en worden de voorwaardelijke rechten van haar zoon op dat moment onvoorwaardelijk (net als bij vruchtgebruik). maar dat is geen belaste verkrijging door de zoon, van zijn moeder noch van zijn vader. de tot het overlijden van zijn moeder voor hem voorwaardelijk geldende verkrijgingsprijs wordt dan eveneens onvoorwaardelijk. volgens deze uitwerking wordt er dus na overlijden van moeder geen inkomstenbelasting geheven. gezien het grote belang in de casus van rechtbank den haag ligt het wel voor de hand dat deze strijd wordt voortgezet in hoger beroep en cassatie.
tip
heb je cliënten waarbij aandelen in een bv zijn vererfd of gaan vererven met een tweetrapsmaking? volg dan de afloop van de hierboven beschreven procedure met aandacht.