de wetgever heeft er om uitvoeringstechnische redenen van afgezien om in de wet voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage rekening te houden met draagkrachtverminderende factoren. van deze redenen kan volgens de hoge raad niet worden gezegd dat zij een redelijke grond missen. ook kan niet worden gezegd dat de wetgever bij zijn afwegingen de ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden. dat geldt voor de afwegingen bij het bepalen van welke gevallen als gelijk moeten worden beschouwd. als er sprake is van gelijke gevallen, bestaat voor het onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging om die gevallen toch verschillend te behandelen.