het hof is snel klaar met het beroep voor zover dit zich richt op de strijdigheid van de box-3-heffing op stelselniveau met artikel 1 ep bij het evrm. deze rechtsvraag vormt de kern van de massaalbezwaarprocedures, waaraan de man had deelgenomen. voor 2015 en 2016 was het eindresultaat van die procedures dat die strijdigheid er niet was. zelfs als die strijdigheid op stelselniveau er wel zou zijn geweest, dan past de rechter terughoudendheid om te voorzien in het rechtskort, zo besliste de hoge raad nog op 2 juli 2021. het was aan de wetgever om rechtsherstel te bieden.
de hoge raad oordeelde in december 2021 in de massaalbezwaarprocedures tegen de box-3-heffing over 2017 en 2018 dat de vermogensmix in het nieuwe box-3-stelsel wel op stelselniveau in strijd was met artikel 1 ep bij het evrm. het rechtsherstel moest bestaan uit een box-3-heffing, gebaseerd op het werkelijke rendement.
toch kan het hof over deze rechtsvraag geen uitspraak doen. individueel beroep staat namelijk niet open tegen een rechtsvraag die in een massaalbezwaarprocedure aan de orde is geweest. het hof buigt zich daarom niet meer over de rechtsvraag of in 2015 t/m 2018 de box-3-heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 ep bij het evrm.

 

individuele en buitensporige last

het hof buigt zich wel over de rechtsvraag of sprake is van een individuele en buitensporige last en betrekt daarbij de gehele financiële situatie van de man. de man en zijn partner hadden weliswaar weinig rente- en dividendinkomsten genoten, maar de waarde van de beleggingen was wel behoorlijk gestegen en de woonark is hypotheekvrij. onder die is er geen sprake van een individuele en buitensporige last.
voor de jaren 2017 en 2018 betrekt het hof hierbij wel de uitspraak van de hoge raad van 24 december 2021. op grond van die rechtspraak kan de rechter wel verplicht zijn om rechtsherstel te bieden, door aan te sluiten bij het werkelijke rendement in plaats van het forfaitaire rendement. het hof stelt echter vast dat de heffing over het forfaitaire rendement niet hoger is dan de heffing zou zijn over het werkelijke rendement (de ontvangen rente op bank- en spaartegoeden). zelfs wanneer verondersteld wordt dat de waardestijging van de beleggingen tot het werkelijke rendement zou worden gerekend, zou dit oordeel niet anders zijn volgens het hof. de waardestijging verhoogt wel het besteedbare inkomen, maar niet de box-3-heffing.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief