de inspecteur stelt dat de leningen onzakelijk zijn, omdat de man een onzakelijk debiteurenrisico heeft gelopen. de man meent dat de inspecteur niet kan navorderen, omdat hij geen nieuw feit heeft. hij verwijst hiervoor naar de hoge raad-uitspraak uit 2018. daarin zou zijn geoordeeld dat een inspecteur een ambtelijk verzuim begaat als hij bij een uitworp de ib-aangifte niet nader onderzoekt. de hoge raad vindt deze conclusie te kort door de bocht. een inspecteur mag bij het vaststellen uitgaan van de juistheid van de gegevens in de ib-aangifte. hij is slechts gehouden tot een nader onderzoek, als hij – na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte – in redelijkheid behoort te twijfelen aan de juistheid van een of enkele gegevens. hiervoor is geen aanleiding als de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de gegevens in de aangifte juist zijn. deze uitgangspunten gelden ongeacht of de aangifte op grond van uitworpredenen in aanmerking komt voor nader onderzoek en ongeacht of dat onderzoek plaatsvindt.

de hoge raad-uitspraak uit 2018 doet hier niet aan af. uit deze uitspraak kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de inspecteur bij een behoorlijke taakuitoefening een nader onderzoek behoort in te stellen na een uitworp van een aangifte. ook als de inspecteur wel met normale zorgvuldigheid had kennisgenomen van de uitgeworpen ib-aangifte 2012, zou hij in redelijkheid niet hoeven te twijfelen aan de juistheid van het negatieve row in de aangifte. het was namelijk niet onwaarschijnlijk dat de ib-aangifte op dat punt juist was. de inspecteur heeft een nieuw feit en mag over 2012 navorderen.

 

 

 

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief