hof amsterdam oordeelt dat de stichting en de joint venture wel economisch en financieel verweven zijn, maar dat door de bestuurswisseling niet meer wordt voldaan aan de eis van organisatorische verwevenheid. na het sluiten van de managementovereenkomst tussen de stichting en de holding is er namelijk geen sprake meer van een situatie waarin het bestuur van de joint venture in een positie van feitelijke ondergeschiktheid verkeert ten opzichte van de stichting. daardoor kan er geen sprake (meer) zijn van een fiscale eenheid tussen deze rechtspersonen.
het hof beoordeelt vervolgens op grond van de uitspraak van de hoge raad van 18 februari 2022 of door de onderlinge samenhang tussen de drie verwevenheden misschien toch sprake zou kunnen zijn van een fiscale eenheid tussen de stichting en de joint venture. de stichting is namelijk de enige opdrachtgever van de joint venture. hierdoor ontstaat voor laatstgenoemde een machtspositie, die kan doorwerken in de bestuurlijke verhoudingen. die doorwerking is echter volgens het hof onvoldoende om het bestuurlijke overwicht te compenseren dat door de ongeclausuleerde managementovereenkomst is ontstaan.
beroep op vertrouwensbeginsel faalt
ook een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. de inspecteur beschikte op het moment van de afgifte van de fe-beschikking namelijk niet over alle informatie die van belang was voor de beoordeling van de aanvraag van de fiscale eenheid. de joint venture heeft de inspecteur niet op de hoogte gebracht van de later tussen de stichting en de holding gesloten managementovereenkomst.