de ondernemer gooide het over verschillende boegen om het gelijk aan zijn zijde te krijgen. zo stelde hij dat hij leges had betaald aan de rdw die waren doorberekend aan de klant, maar hij kon dit niet aannemelijk maken. daarom kon er geen sprake zijn van een doorlopende post of uitschot van belasting. zijn stelling – dat hij de diensten had verricht aan buitenlandse ondernemers – kon hij ook niet aannemelijk maken. de plaats van dienst was daarom nederland. en ook zijn standpunt dat het beëindigen van de registratie van voertuigen bij de rdw en het leveren van de tijdelijke witte kentekens vrijgestelde verzekeringsdiensten zouden zijn of daarmee samenhangende diensten haalde het niet.