de hoge raad oordeelt dat er op alle goederen die voor overdracht vatbaar zijn, een recht van pand of hypotheek kan worden gevestigd. in beginsel is een goed overdraagbaar, maar de overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan bijvoorbeeld door een beding tussen partijen worden uitgesloten. om te bepalen of een vorderingsrecht waarvan de overdraagbaarheid is uitgesloten wel kan worden verpand, is de tekst van het onoverdraagbaarheidsbeding relevant.
als uitgangspunt hierbij geldt dat alleen een verbintenisrechtelijke werking is beoogd. in dat geval staat een dergelijk beding niet aan een verpanding in de weg. indien naar objectieve maatstaven blijkt dat goederenrechtelijke werking is beoogd, leidt dit wel tot de onverpandbaarheid van dat goed.