moeder had in haar testament de volgende bepaling opgenomen ‘afstammelingen zijn niet verplicht tot inbreng van giften die zij hebben genoten…’. tevens had zij een legaat opgenomen voor het onterfde kind, waarbij zij had bepaald dat dat kind een vordering in geld krijgt ter grootte van het breukdeel van de legitimaire massa. op grond hiervan moet volgens de rechtbank worden geconcludeerd dat de moeder in het testament kennelijk wenst te regelen dat de gift hierop niet in mindering behoeft te worden gebracht.
voorbeeld
er zijn 2 kinderen, dirk en joke. joke is onterfd. voor het gewenste inzicht laten we een eventuele echtgenoot buiten beschouwing. de nalatenschap bedraagt € 800.000, echter als de woning volgens de wet woz wordt gewaardeerd, is de nalatenschap € 600.000. dirk heeft in het verleden een schenking van € 100.000 ontvangen voor de eigen woning en joke € 50.000 als schenking onder schuldigerkenning.
in deel 1 (zie fiscasus2207) hebben we vastgesteld dat in dit voorbeeld het breukdeel ¼ is en de legitimaire massa inclusief giften, € 950.000 bedraagt. stel dat de overleden ouder een testament met gelijke bepalingen als in de rechtspraak had gemaakt, dan zou bij het vaststellen van de legitimaire massa, de giften buiten beschouwing blijven. in dat geval zou de legitimaire aanspraak uitkomen op ¼ * € 800.000 = € 200.000. fractioneel hoger, maar geen discussie over giften uit het verleden.
tip
door een testament goed te regisseren, kan ruzie voorkomen worden. maar bereken wel wat daarvan de invloed is op de legitimaire aanspraak en ga na of dat de gewenste uitkomst is.