de hoge raad vernietigt de uitspraak van het hof. de wetgever heeft de eis dat uitkeringen ten minste jaarlijks gedurende vijf jaren moeten worden gedaan in de wet opgenomen om geschillen te voorkomen over de aanwezigheid van een wezenlijk risico-element in het beloop van de uitkeringen. dit blijkt uit de wetsgeschiedenis van artikel 6.38 wet ib 2001. als aan dit vereiste is voldaan, moet ervan worden uitgegaan dat het wezenlijke risico-element aanwezig is. dat de sterftekans feitelijk lager is dan ongeveer 1%, staat dan aan aftrek als periodieke gift niet in de weg. dat geldt ook voor het feit dat de periodieke gift afhankelijk is van twee levens. uit de artikelen 6.34 en 6.38 wet ib 2001 volgt niet dat alleen giften die afhankelijk zijn van één leven als periodieke gift in aanmerking genomen kunnen worden.