in het burgerlijk wetboek (artikel 3:213 lid 1 bw) is bepaald dat hetgeen wat door inning van een vordering waarop een vruchtgebruik rust wordt ontvangen, toekomt aan de hoofdgerechtigde. hieruit blijkt dat een vruchtgebruik niet kan dienen om zich hetgeen toe te eigenen wat door inning van die vordering wordt ontvangen. indien anders zou worden bepaald, zou het geïnde zowel het goed zijn waarop het vruchtgebruik rust als de vrucht. dit laat het gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten niet toe.

 

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief