de staatssecretaris van financiën heeft dit verduidelijkt in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel. in een brief van 15 december 2022 gaat de staatssecretaris hier verder op in en informeert hij de tweede kamer over de uitvoeringsaspecten. hoewel de zaak waarover de hoge raad arrest heeft gewezen draaide om de heffing van vennootschapsbelasting, strekt het arrest zich – vanwege de principiële overwegingen – ook uit over de andere belastingmiddelen waarbij belastingrente in rekening wordt gebracht. het arrest geldt voor belastingrentebeschikkingen die op 18 november 2022 nog niet onherroepelijk vaststonden en voor rentebeschikkingen die vanaf die datum zijn afgegeven en nog worden afgegeven. als hierbij belastingrente in rekening is gebracht terwijl het verschuldigde bedrag aan belasting al was betaald, komen deze rentebeschikkingen in aanmerking voor een rentematiging, aldus de staatssecretaris.
inwerkingtreding vervroegd
voor de loonbelasting en de omzetbelasting was inwerkingtreding pas voorzien in 2026, omdat eerdere inwerkingtreding via automatisering niet uitvoerbaar was. door de principiële overwegingen van de hoge raad vindt de staatssecretaris dit echter niet langer wenselijk. daarom wil hij het voorgestelde artikel 30ia van de awr zo snel mogelijk ook voor de loonbelasting en omzetbelasting in werking laten treden. tot aan de inwerkingtreding van dit artikel voor de loonbelasting en de omzetbelasting kunnen belastingplichtigen voor rentebeschikkingen die op 18 november 2022 nog niet onherroepelijk vaststonden met betrekking tot deze belastingen om rentematiging verzoeken. daarbij kunnen zij een beroep op het arrest van laatstgenoemde datum.