• maatregel 3: keuzevermogen kwalificeert voor de bor met ingang van 2025 en voor de dsr ab (nog onbekend met ingang van wanneer) voor zover die voor bedrijfsdoeleinden in de onderneming wordt gebruikt. dit zal alleen gelden voor vermogensbestanddelen met een waarde van minimaal € 100.000. denk aan bedrijfspanden die deels aan derden (niet binnen het concern) worden verhuurd.
  • maatregel 4: toegang tot de bor en dsr ab wordt met ingang van 2026 beperkt tot reguliere aandelen met een minimaal belang van 5% in het geplaatste kapitaal. van rij wil dat vanaf 2026 alleen aandelen kwalificeren waarmee ondernemersrisico wordt gelopen. dit leidt tot uitsluiting van bijvoorbeeld tracking stocks, aandelenopties en winstbewijzen. cumulatief preferente aandelen zullen zoals nu wel blijven kwalificeren, mits ze in het verleden zijn uitgegeven in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht.
  • maatregel 5: het dienstbetrekkingsvereiste in de dsr ab komt met ingang van 2025 te vervallen. de bedoeling van dit vereiste was om de dsr ab alleen te laten gelden bij overdrachten aan verkrijgers die al betrokken zijn bij de onderneming. maar dit vereiste blijkt niet de juiste maatstaf om de mate van betrokkenheid vast te stellen. in de praktijk werd zelfs met nulurencontracten gewerkt, volgens van rij. afschaffen van de eis is dus logisch. maar waarom vindt die afschaffing pas met ingang van 2025 plaats, terwijl deze eis wel tot een uitvoeringslast voor de belastingdienst leidt?
  • maatregel 6: de bor en dsr ab kunnen met ingang van 2025 slechts worden toegepast als de verkrijger minimaal 21 jaar is. volgens van rij is bij schenking van aandelen aan (zeer) jonge kinderen de kans klein dat er sprake is van een reële bedrijfsopvolging. voor bedrijfsopvolging in geval van overlijden stelt het kabinet geen leeftijdsgrens voor.
  • maatregel 7: de bezitseis en de voortzettingseis in de bor worden met ingang van 2026 toepassing van deze eisen wordt als complex ervaren, daarom is het de wens van het kabinet om deze eisen (waar nodig) te versoepelen. hier is nog wel nader onderzoek voor nodig. de versoepelingen worden daarom pas met ingang van 2026 ingevoerd. eén van de opties is overigens om de 5-jaarstermijn voor beide eisen te verkorten naar 3 jaren.
  • maatregel 8: constructies (rollatorinvesteringen en dubbel-bor) in de bor worden met ingang van 2026 bij rollatorinvesteringen vormen vermogenden (vaak op hogere leeftijd) beleggingsvermogen om in ondernemingsvermogen. bij dubbel-bor kopen de ouders na het verstrijken van de voorzettingstermijn van 5 jaren de onderneming weer terug met spaargeld. hierdoor krijgt het kind niet alleen de onderneming vrijgesteld van schenk- en erfbelasting, maar de facto ook het spaargeld vrijgesteld van de ouders.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief