anders dan bij het overgangsrecht voor overbruggingslijfrenten is het daarvoor niet nodig dat de lijfrente vanuit de bank naar een levensverzekeraar wordt overgedragen. overbruggingslijfrenten waren als ‘privé vut’ tot 2006 een fiscaal toegestane lijfrentevorm. bij lijfrenten die zijn bedongen tot en met 2005 is het dus wel nodig om de uitkeringsfase bij een verzekeraar of in eigen beheer te hebben, om nog te mogen uitkeren tot het jaar waarin de gerechtigde 65 jaar wordt of tot het jaar waarin de aow ingaat. een bancaire lijfrente mag dus nooit een overbruggingslijfrente zijn. (zie onder meer het standpunt van de belastingdienst van 7 november 2023, in samenhang met artikel 10a.1 en 10a.12 wet ib 2001.)