de erfdienstbaarheid voor perceel b is daarmee niet tot stand gekomen, maar het is op zichzelf aannemelijk dat de (vorige) bewoners dit wel hebben willen regelen. de (nieuwe) bewoners van perceel b hebben de rechtbank gevraagd om te bepalen dat zij door de watergang van het perceel mogen varen. zij zijn van mening dat het recht van doorvaart is verkregen, omdat op het moment van splitsing te goeder trouw gebruik wordt gemaakt van de doorvaart. gaan deze bewoners gezellig bootje varen op de spaarne komende zomer?
recht van doorvaart geregeld?
de rechtbank kent het recht van doorvaart toe. de (nieuwe) bewoners van perceel a zijn het hiermee niet eens en gaan in hoger beroep. zij doen een beroep op artikel 2:23 bw en menen dat het beroep op verkrijging te goeder trouw niet moet worden aanvaard. de (vorige) bewoners van perceel b hadden namelijk – door het kadaster te raadplegen – kunnen weten dat er geen recht van doorvaart was geregeld. het gerechtshof geeft de (nieuwe) bewoners van perceel a gelijk. de hoge raad oordeelt genuanceerder. de strekking van artikel 3:23 bw is eigenaren van onroerend goed beschermen tegen aanspraken van derden. in dit geval heeft de vorige eigenaar van perceel b de erfdienstbaarheid willen vestigen, maar nagelaten om dit recht in te (laten) schrijven in het kadaster. in zo’n geval kan niet zomaar worden aangenomen dat er geen sprake is geweest van gebruik van de watergang te goeder trouw.
als je meer wilt weten over deze uitspraak van de hoge raad of van goederenrecht in het algemeen kun je contact opnemen met onze specialist: mr. natasja rensen van avanti jure.