de inspecteur, het hof en de a-g vonden dat het ontgaan van erfbelasting het motief was voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden. deze zijn immers opgemaakt in het zicht van overlijden. bovendien voert de vrouw geen reële, zakelijke motieven aan voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden. de bevoordeling van de vrouw heeft plaatsgevonden binnen 180 dagen voor het overlijden van de man en moet op één lijn worden gesteld met een schenking. de fictiebepaling van artikel 12 sw bepaalt dan dat de bevoordeling een verkrijging krachtens erfrecht is. hoe kijkt de hoge raad hier tegenaan?
oordeel hoge raad
de hoge raad stelt vast dat het aangaan van huwelijkse voorwaarden geen schenking is. dit is niet anders als de echtgenoten, zoals in dit geval, volgens de huwelijkse voorwaarden voor ongelijke delen zullen zijn gerechtigd tot goederen van de huwelijksgemeenschap. maar het aangaan van huwelijkse voorwaarden kan in uitzonderlijke gevallen wel als wetsontduiking (fraus legis) worden aangemerkt. een dergelijk geval doet zich voor als:
- het ontgaan van erfbelasting het doorslaggevende motief voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden is geweest: én bovendien
- het in strijd zou komen met doel en strekking van artikel 1, lid 1, aanhef en onder 1° sw als de vermogensverschuiving ten gevolge van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en het vervolgens overlijden van één van de echtgenoten, niet zou worden aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht. dit doet zich bij huwelijkse voorwaarden als de onderhavige voor als op het moment van het aangaan daarvan zo goed als zeker is dat de echtgenoot die daardoor voor het kleinste deel is gerechtigd tot het gemeenschappelijke vermogen, eerder zal overlijden dan de andere echtgenoot. en dat daardoor de hiervoor bedoelde vermogensverschuiving zich zal voordoen. in een zodanig geval moet worden aangenomen dat de wijziging in de gerechtigdheid tot het gezamenlijke vermogen, geen andere praktische betekenis kon hebben dan het vermijden van erfbelasting.
in de onderhavige zaak wordt niet voldaan aan de hiervoor genoemde criteria. de inspecteur heeft namelijk geen feiten en omstandigheden aangevoerd die (mits bewezen) de conclusie kunnen dragen dat op het moment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden zo goed als zeker was dat de man eerder zou overlijden dan de vrouw. daarom is er geen reden om de bevoordeling van de vrouw als gevolg van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, met toepassing van fraus legis als een verkrijging krachtens erfrecht aan te merken. daarom kan de aanslag erfbelasting niet in stand blijven.
tip
meer ins en outs over deze zaak over de hofuitspraak tot en met de conclusie van de a-g kun je lezen in het artikel ‘huwelijkse voorwaarden in het zicht van overlijden; een blijvertje? (1)’. in deel 2 zal een nadere analyse worden gegeven van de bovenstaande uitspraak van de hoge raad.