rechtbank zeeland-west-brabant was het in 2021 eens met de inspecteur. die stelde dat de uitvoer samenhing met de levering van het paard, dat door de koper op de britse maagdeneilanden was doorverkocht. de bv was dus geen eigenaar van het paard op het moment van de uitvoer en kon daarom het nultarief niet toepassen. de bv maakte niet aannemelijk dat zij tot de uitvoer als eigenaar over het paard kon beschikken. zo ontbrak een schriftelijke verkoopovereenkomst. volgens de rechtbank slaagde de bv ook niet in haar stelling dat de levering in belgië had plaatsgevonden, omdat daar het vervoer was aangevangen. de bv maakte echter niet aannemelijk dat de levering niet in nederland had plaatsgevonden. de naheffingsaanslag was terecht, maar moest wel worden verminderd. de inspecteur had namelijk de stelling van de bv – dat zij de btw niet op haar afnemer kon verhalen – onvoldoende weersproken.
oordeel hof den bosch
hof den bosch oordeelt dat de opeenvolgende verzendingen van het paard via belgië, nederland en de vs moeten worden aangemerkt als één verzending voor de btw. de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt is belgië. de bv staat in het exportdocument vermeld met een adres in belgië. de belastingdienst/douane kan ook geen relevant vervoer vaststellen. het standpunt van de inspecteur dat op basis van het bewijsvermoeden van artikel 37e wet ob de plaats van de levering in nederland ligt, slaagt dus niet. ook is niet relevant dat het paard voorafgaand aan het vervoer in nederland is gekeurd. de keuring van het paard was nodig om toestemming te krijgen voor de export.