de inspecteur stelt dat:
- de vergoeding niet valt aan te merken als een tegenprestatie voor het vestigen van een opstalrecht, maar als een vergoeding voor het meewerken aan het vestigen van een opstalrecht;
- de vestiging van een opstalrecht niet als vervreemding kan worden gezien voor toepassing van de herinvesteringsreserve.
de inspecteur geeft aan dat de meeste vergoedingen zijn aan te merken als inkomensschade, die belast zijn in het jaar van ontvangst. vorming van een herinvesteringsreserve is alleen mogelijk als er sprake is van (gedeeltelijke) vervreemding. de rechtbank stelt de inspecteur in het gelijk. uit de stukken volgt dat de vergoeding is ontvangen voor het meewerken aan het opstalrecht en niet voor het vestigen van een opstalrecht als zodanig. aan de vraag of de vestiging van een opstalrecht kan worden aangemerkt als vervreemding wordt daarmee niet toegekomen.