de hoge raad stelt vast dat tot het verplichte ondernemings- of werkzaamheidsvermogen vermogensbestanddelen behoren die zo nauw gerelateerd zijn aan de onderneming of de werkzaamheid, dat zij in redelijkheid niet anders dan als ondernemings- of werkzaamheidsvermogen kunnen worden aangemerkt.

vervolgens stelt de hoge raad vast dat het hof ‘voor zover nodig veronderstellenderwijs’ ervan uitgegaan is dat de activiteiten van de man vanaf 2008 moeten worden aangemerkt als een onderneming of als een werkzaamheid in de zin van artikel 3:91 wet ib 2001.
bij dat uitgangspunt moet het perceel grond volledig dienstbaar zijn aan de door de man gedreven onderneming dan wel de door hem uitgeoefende werkzaamheid. die omstandigheid brengt mee dat de grenzen der redelijkheid zouden worden overschreden als dit vermogensbestanddeel tot het privévermogen zou worden gerekend. het uitgangspunt van het hof leidt ertoe dat het perceel grond niet anders dan als ondernemingsvermogen of werkzaamheidsvermogen moet worden geëtiketteerd.
het oordeel van het hof dat het perceel grond als keuzevermogen moet worden aangemerkt geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief