de rechtbank oordeelt dat het besluit belasting- en invorderingsrente (bbi) onverbindend moet worden verklaard, omdat de wetgever het tarief van de belastingrente niet had mogen koppelen aan de wettelijke rente voor handelstransacties. laatstgenoemde rente is namelijk bedoeld voor handelsvorderingen, terwijl een nog niet geformaliseerde belastingschuld geen handelsvordering is.
de rechtbank onderzoekt vervolgens de doelen die de wetgever heeft willen bereiken met de hoge belastingrente. zij stelt uit de ontstaansgeschiedenis van de belastingrenteregeling vast dat deze is gebaseerd op de verzuimrenteregeling in het bestuursrecht, wat het hoge percentage zou rechtvaardigen. die regeling ziet echter op betalingsverzuimen, terwijl de belastingrente wordt berekend bij een aangifteverzuim. daardoor ontbreekt de rechtvaardiging voor het hoge percentage van 8%. de nadelige gevolgen hiervan zijn onevenredig in verhouding tot de met deze regelgeving te dienen (onduidelijke) doelen. de belastingrente moet daarom worden gehalveerd. het tarief van 4% wordt ook bij andere belastingsoorten gehanteerd.
wellicht niet te vroeg juichen
de uitspraak is relevant voor alle vpb-plichtigen die vanaf 2022 belastingrente in rekening gebracht hebben gekregen op hun aanslag. zij kunnen bezwaar maken tegen de beschikking belastingrente binnen zes weken na dagtekening van de aanslag. is de beschikking belastingrente afgegeven bij een voorlopige aanslag? dan zal eerst binnen zes weken om vermindering moeten worden verzocht.
neem in je afweging om tot actie over te gaan mee dat er inmiddels ook een andere uitspraak is gepubliceerd van rechtbank gelderland over de in rekening gebrachte belastingrente. deze uitspraak heeft een tegenovergestelde uitkomst. deze rechtbank toetst de rentebeschikking onder meer aan het evrm, het handvest van de grondrechten van de eu en aan de beginselen van behoorlijk bestuur en oordeelt dat deze niet zijn geschonden.
daar komt bij dat dit uitspraken zijn van de laagste rechters. het is daarom niet ondenkbaar dat de belastingdienst – in het geval van de uitspraak van rechtbank noord-nederland – in hoger beroep zal gaan of zelfs in sprongcassatie bij de hoge raad.