de niet-opvolgers lopen aan tegen de fictie die in de successiewet is opgenomen voor onder andere latent verschuldigde box-2-belasting. deze latentie wordt fictief op 6,25% gesteld. onze opvolger mag het nominale tarief in mindering brengen. laten we aannemen dat de waarde € 1.000.000 bedraagt, de verkrijgingsprijs € 1, en de in aanmerking genomen latentie 31%. de inbrengvordering is dan € 1.000.000 – (€ 999.999 * 31%) = € 690.000.

de fictie die rust op de latent verschuldigde inkomstenbelasting werkt echter door naar de inbrengvordering, waarvan de latentieberekening een onderdeel is. het gevolg daarvan is dat de vordering op de voortzetter, die civielrechtelijk € 690.000 bedraagt, voor zover die toekomt aan de niet voortzetters, bij hen wordt belast voor een fictieve waarde van (€ 1.000.000 – (€ 999.999 * 6,25%) = € 937.500. de niet-voortzetters betalen dus het gelag. immers, zij worden in potentie belast met erfbelasting voor een bedrag van € 247.500 dat zij nooit gaan ontvangen.

 tip
zie goed in dat duidelijkheid in het legaat omtrent latentie ten koste kan gaan van de fiscale positie van de niet-voortzetters.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief