een lening die een ongebruikelijke terbeschikkingstelling is, valt volgens de vader onder de werking van artikel 3.91, lid 3 wet ib 2001. op grond van de stand van het eigen vermogen en de winst-en-verliesrekening van de onderneming van zijn zoon was het duidelijk dat de lening niet zou worden terugbetaald. de kwijtschelding van de lening is daarom op zakelijke gronden verdedigbaar.
oordeel rechtbank
rechtbank noord-nederland gaat hier niet in mee en volgt het standpunt van de inspecteur. op het moment dat de lening werd verstrekt, was de lening een belegging in durfkapitaal (tante agaathlening). uit de wetsgeschiedenis leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van de wetgever is dat een tante agaathlening niet als een ongebruikelijke terbeschikkingstelling kan worden aangemerkt. dat is alleen het geval als de voorwaarden van de tante agaathlening zodanig zijn dat onafhankelijke derden deze lening in het kader van durfkapitaal niet zouden zijn overeengekomen. nu de vader niet aannemelijk maakt dat de voorwaarden van de lening aan zijn zoon zodanig afwijken van de voorwaarden die derden in het kader van de durfkapitaalregeling stellen, moet de lening als een tante agaathlening worden gekwalificeerd, aldus de rechtbank. er kan dan geen sprake zijn van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling, noch van een negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen in verband met de door de vader gestelde kwijtschelding.
ook wijst de rechtbank de stelling van de vader af dat door de vaststelling van de ib-aanslag over 2015 conform de ingediende ib-aangifte, ook het aangegeven verlies in de ib-aangifte over 2016 aftrekbaar is als negatief resultaat uit ter beschikking gesteld vermogen. de rechtbank oordeelt dat de aftrek alleen kan worden toegestaan als de inspecteur daartoe een beschikking heeft afgegeven op grond van artikel 6.8 wet ib 2001. nu dit niet is gebeurd, kan de vader het verlies op de lening niet in aftrek brengen.