de hoge raad geeft aan dat niet duidelijk is hoe de medische vrijstelling en de vrijstelling voor diensten van sociale of culturele aard in de btw-richtlijn 2006 moeten worden uitgelegd bij een fiscale eenheid – waarbij de ene deelnemer wel voldoet aan de subjectgebonden voorwaarden en de andere deelnemer niet. daarom stelt zij de volgende twee prejudiciële vragen aan het eu-hof van justitie:
- moet artikel 11 van de btw-richtlijn 2006 (fiscale eenheid) in samenhang gelezen met artikel 132, lid 1, letters b en g btw-richtlijn 2006 (de genoemde vrijstellingen) aldus worden uitgelegd dat deze vrijstellingen slechts van toepassing zijn voor zover de in deze bepalingen bedoelde prestaties van de btw-groep jegens derden tegen vergoeding worden verricht door een juridisch zelfstandig lid van de btw-groep dat, individueel bezien, voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van deze vrijstellingen?
- indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, volstaat dan voor de toepasbaarheid van artikel 132, lid 1, letters b en g, en artikel 133, aanhef en letter a, van btw-richtlijn 2006 ter zake van alle in deze bepalingen bedoelde prestaties van de btw-groep jegens derden tegen vergoeding, dat slechts één juridisch zelfstandig lid van de btw-groep voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van die vrijstellingsbepalingen?
zodra het eu-hof van justitie deze prejudiciële vragen van de hoge raad heeft beantwoord, komen we terug op deze zaak.