hof den bosch geeft het gelijk aan de inspecteur, die aan de hand van systeemprints en kopieën van aanslagen en beschikkingen aantoont dat de verliezen al op de juiste wijze zijn verrekend. uit deze stukken blijkt namelijk dat na 17 mei 2014 nog diverse verliesverrekeningen hebben plaatsgevonden met belastbare bedragen over 2004, 2005, 2007 en 2012. de inspecteur heeft de bv geïnformeerd dat hij heeft geconstateerd dat voor die jaren verzuimd was om verliezen te verrekenen. vervolgens heeft hij dat alsnog gedaan. nadat daarna nog op 23 december 2017 resterende verliezen uit de jaren 2008, 2009, 2011 en 2013 zijn verrekend met de belastbare winst over 2014, resteerden er geen verrekenbare verliezen meer.
algemene beginselen van behoorlijk bestuur
de bv stelt dat zij er op grond van de verminderingsbeschikking van 17 mei 2014 op mocht vertrouwen dat er in 2016, 2017 en 2018 nog verliezen konden worden verrekend. het hof leidt uit de door de inspecteur overgelegde gegevens af dat de mededeling over de stand van de nog te compenseren verliezen op 17 mei 2014 juist was. daarna zijn er nog diverse verliesverrekeningsbeschikkingen geweest. de bv kon dan ook niet in redelijkheid het vertrouwen hebben gehad dat het bedrag van € 323.580 nog steeds voor verrekening in aanmerking kwam. van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. ook de stelling van de bv – dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met de 5-jaarstermijn als bedoeld in artikel 16 awr – wijst het hof af. van navordering is immers geen sprake. het hof wijst ten slotte ook de stelling van de bv af dat de foutenleer van toepassing zou zijn. de inspecteur heeft namelijk geen fouten gemaakt ten aanzien van de verliesverrekening.