rechtbank zeeland-west-brabant stelt vast dat de bv het voornemen had om de appartementen volledig gemeubileerd en voor maximaal zes maanden te verhuren aan personen die maximaal 12 maanden in nederland verblijven. voor het antwoord op de vraag of de short-stay-uitzondering van toepassing is, is volgens de rechtbank beslissend of de verhuur van de appartementen een soortgelijke functie heeft als de verhuur in het kader van een hotel- of vakantiebestedingsbedrijf en daarmee concurreert. daarmee is dus de feitelijke aard van de verhuur beslissend voor de btw-kwalificatie. niet relevant is dat:
- aan de appartementen een woonfunctie is toegekend;
- de bv niet bij de gemeente heeft gemeld dat de appartementen een logiesbestemming hebben;
- het gebruik voor short stay zou leiden tot onttrekking ervan aan de woningmarkt;
- de bv ook wel concurreert met de (vrijgestelde) verhuur van woningen.
de rechtbank concludeert dat de bv met de verhuur van de appartementen primair concurreert met het hotel- en vakantiebestedingsbedrijf. zij valt daardoor onder de short-stay-uitzondering, zodat de verhuur belast is en de bv recht heeft op btw-teruggaaf.