bij de schenking van vader verzoekt de zoon om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling in de successiewet 1956 (hierna: bor) en zet de verkregen onderneming voort. als de zoon (bezwaarde) overlijdt, worden de ontbindende en opschortende voorwaarde vervuld en verkrijgt de kleindochter (verwachter) de geschonken onderneming van haar opa (insteller).
wordt bij de verkrijging door de verwachter voldaan aan de bezitseis? en kan er worden voldaan aan de voortzettingsvereiste van de bor als:
- de opschortende voorwaarde binnen de voortzettingsperiode (na de eerste trap) wordt vervuld; en
- de onderneming op grond van een tweetrapsschenking wordt verkregen door de verwachter (de tweede trap)?
in het kort is het antwoord: nee, er wordt niet voldaan aan de bezitseis. opa kan niet meer voldoen aan de bezitseis als de kleindochter verkrijgt. en ja, er wordt wel voldaan aan de voortzettingsvoorwaarde.
interessant is dat de kennisgroep aangeeft dat er in een incidenteel geval een beroep op de hardheidsclausule is gehonoreerd. als voorwaarde is toen gesteld dat ten tijde van het vervullen van de opschortende voorwaarde dezelfde onderneming moet worden gedreven als ten tijde van de schenking door de insteller.
tip
heeft je cliënt te maken met een verkrijging van ondernemingsvermogen uit een tweede trap? wellicht biedt een beroep op de hardheidsclausule dan nog soelaas. in de parlementaire geschiedenis is verder aangekondigd dat vanaf 1 januari 2026 artikel 9 uitvoeringsregeling schenk en erfbelasting een regeling zal bevatten inzake de bezitseis bij een tweetrapsschenking (zie tweede kamer, 2024–2025, 36 610, nr. 3, p. 67).