Hof Amsterdam oordeelt dat zij niet bevoegd is om een formele wet te toetsen aan de algemene rechtsbeginselen. Hiervoor bestaat een grondwettelijk toetsingsverbod. Een rechter is alleen bevoegd om een formele bepaling buiten toepassing te laten als er bijzondere omstandigheden zijn die de wetgever onvoldoende heeft meegewogen bij de totstandkoming van de formele bepaling. Daarbij geldt de voorwaarde dat die omstandigheden leiden tot strijdigheid met de algemene rechtsbeginselen of het ongeschreven recht. De man maakt echter niet aannemelijk dat dergelijke omstandigheden zich in zijn situatie voordoen.
Ruime beoordelingsmarge
De wetgever heeft bij de afweging om bij duurdere woningen meer gewicht toe te kennen aan het beleggingsaspect (de waardeontwikkeling) niet de hem toekomende ruime beoordelingsmarge overschreden. De bepaling past in het streven van de wetgever om tot evenwichtige maatregelen te komen voor de diverse inkomens- en vermogensgroepen. Dit geldt ook bij de afbouw van de Hillen-regeling, aldus het hof.
Het beroep op artikel 14 EVRM (discriminatieverbod) faalt volgens het hof alleen al voor zover het de afbouw van de Hillen-regeling betreft, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen die ongerechtvaardigd anders worden behandeld. Belastingplichtigen met een relatief hoge eigenwoningschuld ten opzichte van de eigenwoningwaarde verkeren namelijk niet in een vergelijkbare situatie als belastingplichtigen, zoals de man met een relatief geringe eigenwoningschuld. Tot slot oordeelt het hof dat ook de omstandigheid dat er geheven wordt over niet feitelijk gerealiseerde inkomsten, niet met zich meebrengt dat de heffing in strijd is met artikel 1 EP EVRM.