A-G Koopman concludeerde op 26 september 2025 anders over de rechtmatigheid van de A belastingrente in de vennootschapsbelasting (Vpb). Deze conclusie is inmiddels gevolgd door de Hoge Raad (zie Fiscasus2603). Die Vpb-zaak ging over de hoogte van de belastingrente die sinds 1 oktober 2020 wordt vastgesteld in het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi). De onderhavige zaak gaat over de voordien in de AWR zelf (een wet in formele zin) vastgestelde rente van ten minste 4%, voor niet-vennootschapsbelastingzaken.
Doordat deze rente is vastgelegd in een wet in formele zin kan de rechter de hoogte ervan niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen, zoals in de kwestie over de belastingrente bij de Vpb. De rechter kan wel beoordelen of de hoogte van de belastingrente strijdigheid oplevert met artikel 1 EP EVRM.
Berekening belastingrente
In deze zaak speelt ook een andere kwestie. Namelijk de vraag of de inspecteur bij de aanslagoplegging op 26 september 2020, de belastingrente over de periode 1 oktober tot en met 20 oktober 2020, mocht berekenen op basis van een rentepercentage van 4. Op 26 september 2020 gold een rentepercentage van 0,01. Bij besluit van 24 september 2020, bekendgemaakt in het Staatsblad van 30 september 2020, is de belastingrente met ingang van 1 oktober 2020 gesteld op ten minste 4%. Op het moment waarop de inspecteur de belastingrentebeschikking nam, was het nieuwe besluit dus nog niet bekendgemaakt en ook nog niet in werking getreden. Volgens de A-G mocht de inspecteur daarom de renteverhoging nog niet toepassen. Dit levert de man overigens slechts een voordeel op van € 1,22, maar dit kan wel relevant zijn als het om andere bedragen gaat.
Commentaar
Deze IB-zaak gaat over een belastingrente van 4%, maar kan een hogere belastingrente wél leiden tot strijdigheid met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM? Een hogere rente kan mogelijk wel sneller een disproportionele én buitensporige last vormen voor een belastingplichtige. Aangezien de belastingrente vanaf 1 oktober 2020 een aantal jaren flink hoger was (in 2023 vanaf 1 juli 6%, in 2024 7,5% en in 2025 6,5%), biedt dit wellicht wel kansen in een procedure over deze jaren.
Daar komt bij dat vanaf 1 oktober 2020 het percentage voor de belastingrente ook voor de IB wordt bepaald in het Bbi. Sindsdien kan de rechter dus ook deze belastingrente toetsen aan de algemene beginselen.