De rechtbank oordeelt dat de onderverhuur en het verrichten van de bijkomende diensten zo nauw met elkaar verbonden zijn dat er sprake is van één ondeelbare prestatie. Deze prestatie bestaat volgens de rechtbank in wezen uit vrijgestelde verhuur van een onroerende zaak. De activiteiten die de stichting voor KC verricht, zijn vooral gericht op het (door de gemeente verplicht) onderverhuren van een gedeelte van het gebouw. Dat zij als onderverhuurder onderhoud verricht, het gebouw bewaakt en schoonmaakt en de kosten van gas, water en elektriciteit en ook de verzekeringspremies betaalt, maakt dat niet anders. Zij verschilt daarin niet van bijvoorbeeld de verhuurder van opslagruimte. Verder is het vanzelfsprekend dat de exploitant van een gebouw ervoor moet zorgen dat het gebouw voldoet aan de gestelde veiligheidseisen. Er is dus geen sprake van verhuur-plus, waardoor de stichting geen recht op vooraftrek heeft.