De inspecteur weigert de btw op de facturen in aftrek toe te staan. Hij vindt de facturen niet specifiek genoeg en de toelichting van de ondernemer onsamenhangend, waardoor deze niet kunnen dienen als bewijs ter onderbouwing van het aftrekrecht. Omdat een duidelijke toelichting (onderbouwd met stukken) op de samenwerking en de afspraken met de bv ontbreekt, kan volgens de Inspecteur niet worden aangenomen dat aan de facturen daadwerkelijk prestaties van de bv tegenover de ondernemer ten grondslag liggen. En evenmin dat de ondernemer die prestaties heeft gebruikt voor zijn eigen belaste prestaties. De inspecteur wijst erop dat de ondernemer over het onderhavige tijdvak niet de vereiste btw-aangifte heeft gedaan en dat dit ertoe leidt dat op hem de verzwaarde bewijslast rust. Hij moet dus aantonen dat de vastgestelde naheffingsaanslag onjuist is.

Omkering en verzwaring bewijslast
Hof Den Haag oordeelde in 2023 dat de bewijslast niet verzwaard kon worden, maar dat de ondernemer voor het aftrekrecht alleen aannemelijk hoefde te maken dat de naheffingsaanslag niet juist was. De verzwaring van de bewijslast zou niet verenigbaar zijn met de Btw-richtlijn.

De Hoge Raad oordeelt anders. Vaststaat dat de ondernemer niet de vereiste btw-aangifte heeft gedaan. Het nationaal recht schrijft dan de verzwaarde bewijslast dwingend voor. Volgens de Hoge Raad voldoen de wettelijke bepalingen over de omkering en verzwaring van de bewijslast aan het Unierechtelijke beginsel van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en evenredigheid. Zij gaan niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te bereiken.
Ook is er geen sprake van strijd met het neutraliteitsbeginsel. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Amsterdam om te beoordelen of de ondernemer erin is geslaagd overtuigend aan te tonen dat – en, zo ja, in hoeverre – de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief