De man in kwestie heeft om meerdere negatieve voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over 2022 verzocht. Nadat hij zijn aangifte over 2022 heeft ingediend, moet hij van de ontvangen teruggaven € 5.220 terugbetalen. In beroep stelt hij dat hij naar aanleiding van de voorlopige aanslagen telefonisch contact heeft opgenomen met de Belastingdienst, om er zeker van zijn dat die voorlopige aanslag juist was vastgesteld. Daarbij is hem geantwoord dat de voorlopige aanslagen, en dus ook de teruggaven daarop, correct zijn vastgesteld.

Geen beroep op vertrouwensbeginsel
Op basis van dit antwoord vindt de man dat hij erop mocht vertrouwen dat hij het geld mocht houden, en daarom heeft het ook al uitgegeven. Die gedachte kon hij hebben ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2021. In dat arrest stelt de Hoge Raad dat als een belastingplichtige een hoger bedrag moet betalen dan hij op basis van door hem verkregen informatie van de Belastingdienst meende te moeten betalen, het vertrouwensbeginsel meebrengt dat het meerdere niet mag worden geheven. Maar het hof oordeelt terecht dat dit niet geldt voor een voorlopige aanslag. Die wordt namelijk zonder inhoudelijke controle vastgesteld, waarbij ook duidelijk wordt gecommuniceerd dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom in deze casus.

Tip
Voorkom het aanvragen van een te hoge voorlopige teruggave. De terugbetalingsverplichting die dan uiteindelijk uit de aangifte volgt, kan vervelende gevolgen hebben en ook nog gepaard gaan met heffing van belastingrente.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief