In de casus die voorlag bij de Hoge Raad was een boetebeding opgenomen wegens overtreding van een geheimhoudingsplicht in het proces-verbaal. Nadat de schuldeiser stelde dat dit beding was geschonden, legde deze executoriaal beslag op de aandelen van de schuldenaar. De Hoge Raad oordeelde echter dat een proces-verbaal waarin het ontstaan van een vordering afhangt van onzekere, toekomstige gebeurtenissen — zoals de vraag of een geheimhoudingsplicht is overtreden — geen executoriale titel oplevert voor die boete. Omdat de overtreding zelf nog onderwerp van debat kan zijn, ontbreekt de voor executie vereiste bepaaldheid, waardoor het beslag op basis van dit document onrechtmatig was.
Onderscheid
De Hoge Raad maakte hierbij een belangrijk onderscheid met de rechterlijke dwangsom. Hoewel een dwangsom eveneens afhankelijk is van toekomstige overtredingen, heeft de wetgever hiervoor specifiek bepaald dat de titel direct ten uitvoer kan worden gelegd zodra de overtreding vaststaat. Voor een contractuele boete in een schikking is zo’n wettelijke uitzondering niet aanwezig. Een schuldeiser zal in een dergelijk geval dus eerst een nieuwe rechterlijke uitspraak moeten verkrijgen waarin wordt vastgesteld dat de boete daadwerkelijk is verbeurd. Pas met dat nieuwe vonnis in de hand ontstaat een geldige executoriale titel om daadwerkelijk over te gaan tot gedwongen verkoop of beslaglegging.
Wil je meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact op met mr. Pascalle de Hoon of mr. Natasja Rensen. Zij zijn werkzaam voor Avanti Jure Advocaten, een samenwerkingspartner van Fiscount.