Het peilmoment is het testament, niet het overlijden
De Hoge Raad zegt onverbiddelijk: dit testament houdt geen stand. Hiermee bevestigt de Hoge Raad de werking van artikel 4:59 BW. Dat artikel verbiedt dat een zorgverlener profiteert van een testament dat is gemaakt tijdens de zorgrelatie. Het beslissende moment is dus niet het overlijden, maar het moment waarop het testament wordt opgesteld. Dat de zorgverlener en de erflater later trouwden, doet er niet toe. Ook samenwonen of een notarieel samenlevingscontract biedt geen redding. De hoedanigheid van de begunstigde op het moment van het opmaken van het testament is dus bepalend.
Ruime uitleg begrip zorgverlener
Opvallend is dat de Hoge Raad het begrip zorgverlener ruim uitlegt. Hieruit blijkt namelijk dat een BIG-registratie niet vereist is. Dus ook iemand die via een PGB beroepsmatig zorg verleent, valt onder het verbod vanuit artikel 4:59 BW. In deze casus was er nadrukkelijk geen mantelzorg; het ging om structurele, betaalde zorg in een afhankelijke situatie. De beschermingsgedachte van de wet staat centraal: het voorkomen van ongeoorloofde beïnvloeding, juist in relaties waar macht en afhankelijkheid meespelen.