De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende feiten en omstandigheden:
- de bv heeft niet weersproken dat de Maltese dochter-bv helemaal met vreemd vermogen is gefinancierd;
- de bv heeft evenmin weersproken dat de solvabiliteit van de Maltese dochter-bv vanaf het begin negatief was, en ook is gebleven;
- de opbrengsten uit de activiteiten van de Maltese dochter-bv komen niet toe aan de bv maar aan anderen.
De rechtbank ziet in het voorgaande een bevestiging van het bewijsvermoeden dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de lening met een grote(re) risico-opslag – bijvoorbeeld een hoge(re) rente – aan de Maltese dochter-bv zou hebben uitgeleend. De stelling van de bv dat de banken geen financieringstoezegging hebben willen doen (omdat bancaire regels het financieren van online gokken verbieden), is onvoldoende om dit (bewijs)vermoeden te weerleggen. De lening is onzakelijk en kan daarom niet worden afgewaardeerd ten laste van de winst van de bv. Het gelijk is hier aan de inspecteur.