Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het antwoord op de vraag of er ten tijde van de aankoop sprake was van een woning, uitsluitend wordt bepaald door de bouwkundige kenmerken op het moment van de verkrijging. De onroerende zaak is in 1921 gebouwd als winkel met woonruimte. De rechtbank is op grond van de overgelegde plattegronden van oordeel dat ongeveer 70% van de perceeloppervlakte van de onroerende zaak, met inbegrip van de tuin, op grond van objectieve kenmerken bestemd was voor bewoning. Dit betekent dat 70% van de verkregen onroerende zaak als woning moet worden aangemerkt. Dit zou slechts anders zijn als vaststaat dat de onroerende zaak zodanig ingrijpend is verbouwd tot een niet-woning, dat er op het moment van verkrijging meer dan beperkte aanpassingen nodig waren om het woongedeelte van de onroerende zaak weer voor bewoning geschikt te maken.

Geen ingrijpende verbouwingen

Volgens de rechtbank zijn de verbouwingen na 1921 niet zo ingrijpend geweest dat het woonkarakter verloren is gegaan. De buitenmuren en gevels zijn gehandhaafd en er zijn slechts binnenmuren verplaatst. De ruimte is daarom voor 70% naar zijn aard bestemd voor bewoning. Op 70% van de aankoop is daarom het 2%-OVB-tarief van toepassing en op 30% het algemene tarief van 10,4%.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief