De inspecteur corrigeert de toepassing van het nultarief. Hij meent dat nu de bv niet in Nederland is gevestigd en hier ook geen vaste inrichting heeft, zij ingevolge artikel 12, lid 2, Uitvoeringsbesluit OB een fiscaal vertegenwoordiger had moeten aanstellen om het nultarief te mogen toepassen. Rechtbank Den Haag gaat hierin mee, maar Hof Den Haag oordeelt anders.
Oordeel Hof Den Haag
Hof Den Haag oordeelt dat de verplichting die Nederland oplegt aan buiten Nederland gevestigde belastingplichtigen die hier geen vaste inrichting hebben – om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen – discriminatoir is. ‘Als de belastbare handeling wordt verricht door een belastingplichtige die niet in de lidstaat is gevestigd waar de btw verschuldigd is (Nederland) en er met het land van vestiging van deze belastingplichtige (Spanje) een rechtsinstrument is overeengekomen, waarbij wederzijdse bijstand wordt geregeld zoals deze binnen de Gemeenschap is voorzien, is deze discriminatie niet gerechtvaardigd’.
Hierdoor worden immers buiten Nederland gevestigde belastingplichtigen slechter behandeld dan in Nederland gevestigde concurrenten. Daarbij komt dat uit jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie (Plöckl-arrest, C-24/15) volgt dat als een belastingplichtige niet aan de formele eisen voldoet, maar wel aan de materiële voorwaarden, het nultarief mag worden toegepast. Het niet voldoen aan die formele eisen staat dan dus niet aan de toepassing van het nultarief in de weg.