De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen als volgt. ‘Een belastingplichtige van wie een aanslag in de IB/PVV onherroepelijk komt vast te staan door een collectieve uitspraak op bezwaar, terwijl de inspecteur met betrekking tot de aangewezen rechtsvraag geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, kan de tot stand gekomen onderlinge verhouding tezamen met diens fiscale partner op de voet van artikel 2.17, lid 4 Wet IB 2001 wijzigen tot zes weken nadat die aanslag door de inspecteur ter uitwerking van die collectieve uitspraak is verminderd’.