De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2016*) over het jaar 2011. De Hoge Raad geeft in deze uitspraak aan dat als blijkt dat het veronderstelde rendement van 4% over een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is voor de particuliere belegger, het forfaitaire stelsel mogelijk in strijd kan zijn met het eerste Protocol bij het EVRM. Belastingplichtigen worden dan immers – mede gelet op het tarief – geconfronteerd met een buitensporig zware last. Voor het jaar 2011 was dit echter nog niet aan de orde.
‘Een lange reeks van jaren’
Er moet een duidelijk antwoord komen op de vraag: hoelang moet die reeks jaren duren waarin een rendement van 4% niet haalbaar blijkt te zijn geweest, voordat er wel sprake kan zijn van strijd met het eerste Protocol bij het EVRM? In de jaren na 2011 is de rente op spaarrekeningen bovendien alleen maar verder gedaald. Het nieuwe heffingssysteem dat sinds 1 januari 2017 geldt, maakt deze problematiek niet anders. De Hoge Raad zal toch een keer ‘om’ moeten gaan op grond van het zelf aangelegde criterium en duidelijk maken wanneer aan dit criterium van ‘een lange reeks van jaren’ is voldaan.