Het Hof voegt hier aan toe dat de wetsfictie van artikel 4 WBR slechts dient om te voorkomen dat geen heffing van OVB plaatsvindt, doordat een BV wordt tussengeschoven. De wetsfictie beoogt echter niet om een belastingplicht te creëren omdat de schenking niet de onroerende zaak zelf betreft maar de aandelen die de onroerende zaak vertegenwoordigen.

In lijn met uitspraken rechtbanken
Deze Hofuitspraak is in lijn met de eerdere uitspraken van verschillende rechtbanken*). Ook het hof ziet niet in waarom de vrijstelling (artikel 15, lid 1, onderdeel b WBR) aan de bedrijfsopvolger zou moeten worden geweigerd, ook al heeft de inspecteur naar de letter van de wet gelijk. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in wezen gelijke gevallen fiscaal ook gelijk moeten worden behandeld. Zonder BV-structuur zou de vrijstelling van toepassing zijn, als de vastgoedportefeuille tot het ondernemingsvermogen van een eenmanszaak had behoord. Toepassing van de vrijstelling strookt ook met het doel van de vrijstelling OVB bij bedrijfsopvolging: het wegnemen van fiscale drempels. Ook bij de verkrijging van aandelen in een vastgoed-BV met een materiële onderneming kan de OVB immers een drempel opwerpen voor de bedrijfsopvolging.

*) ECLI:NL:RBNHO:2017:5723 en ECLI:NL:RBNNE:2016:3373

Vrijstelling bij bedrijfsopvolging
De vrijstelling OVB bij bedrijfsopvolging kan onder voorwaarden worden benut bij de verkrijging van aandelen van een vastgoed-BV. Van belang is dat de vastgoed-BV een materiële onderneming drijft. In dat geval kan sprake zijn van een gelijke behandeling aan de overdracht van een IB-onderneming met onroerende zaken. De bedrijfsopvolger moet bovendien een direct familielid zijn. Dat wil zeggen: kind, kleinkind of broer/zus of de echtgeno(o)te van hen. Ook moet er aan de doorkijkgedachte worden voldaan.

Doorkijkgedachte
De Hoge Raad heeft in enkele zaken *) geoordeeld dat als de directe verkrijging van onroerende zaken leidt tot vrijstelling van OVB, de indirecte verkrijging van onroerende zaken via de aandelen van een vennootschap ook vrijgesteld moet zijn. Er moet dus door de BV heen gekeken worden om te beoordelen of de overdracht van de onroerende zaak zelf in aanmerking komt voor een vrijstelling. In de onderhavige zaak is dit het geval voor de overdracht van de onroerende zaken van de vastgoed-BV. Die zouden zonder BV-structuur vrijgesteld zijn van OVB.

*) ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 en ECLI:NL:HR:2007:AU8559

Tip
Omdat de staatssecretaris waarschijnlijk cassatie zal instellen, moeten we nog even wachten op een eindoordeel. U doet er daarom verstandig aan om de rechten van uw cliënt veilig te stellen door bij de aangifte OVB in elk geval een beroep te doen op de vrijstelling.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief