De rechtbank redeneert als volgt. Gezien de ligging van de parkeerterreinen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat op die terreinen – behalve eventuele gasten van het hotel, die bij het hotel een aparte parkeermunt kunnen kopen – ook mensen parkeren die niet naar de dierentuin gaan. Het parkeren is voor de modale consument dan geen doel op zich: die doet dat immers louter met het doel om de dierentuin te bezoeken. De rechtbank vindt het aannemelijk dat deze parkeervoorzieningen een bezoek aan de dierentuin aantrekkelijker maken. Consumenten zijn daardoor namelijk niet aangewezen op het openbaar vervoer of op het beperkte aantal reguliere parkeerplaatsen in de omgeving van de dierentuin. Voor de modale consument vormt de toegang tot de dierentuin de hoofddienst en is het gelegenheid geven tot parkeren de bijkomende dienst. Hierdoor is het verlaagde tarief ook van toepassing op de opbrengst van het parkeren.
Dezelfde motivering met een andere uitkomst
De feiten en omstandigheden zijn doorslaggevend om te kunnen bepalen of een parkeerdienst een bijkomende of een zelfstandige prestatie is. Dit blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2017:1561) van vorig jaar. Die rechtbank komt namelijk met dezelfde motivering tot een tegenovergesteld oordeel. Het betrof de zaak van een BV die een attractiepark exploiteert. Bezoekers kunnen tegen vergoeding hun auto bij het park parkeren. De rechtbank oordeelde dat de parkeerdienst een zelfstandige prestatie is voor de gemiddelde consument. Parkeren is een doel op zich en geen middel om een bezoek aan het park (de hoofdprestatie) onder de best mogelijke omstandigheden te genieten. Ook is de parkeerprijs te hoog om parkeren te zien als bijkomende dienst.