Het verlenen van ‘een schone lei’ vindt plaats op grond van artikel 358, lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij geldt dat vorderingen vervallen als zij onder de schuldsaneringsregeling vallen. In deze zaak moest dus worden vastgesteld of de vordering van de bv op de cv onder de schuldsaneringsregeling viel. Daartoe stelde het hof eerst vast dat de beherend vennoot contractspartij was bij het sluiten van de overeenkomst tussen de bv en de cv. De bv heeft daardoor een vordering op de beherend vennoot uit hoofde van nakoming. De overeenkomst is gesloten vóór de inwerkingtreding van de schuldsaneringsregeling en is ontbonden tijdens de schuldsanering. In dat geval bepaalt artikel 299, lid 1b Fw dat de schuldsanering ook werkt ten aanzien van de vordering van een derde (i.c. de bv) op de beherend vennoot. Dit betekent dat de aan het eind van de schuldsaneringsregeling verleende ‘schone lei’ ook betrekking heeft op deze vordering, waardoor deze op grond van artikel 358, lid 1 Fw niet meer in rechte afdwingbaar is.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief