De inspecteur berekent de KIA als volgt: de totale investeringen van de dierenarts en die van de maatschap bedragen € 97.032. Daarvoor geldt op grond van artikel 3.41 Wet IB 2001 een KIA van € 15.470. De KIA bedraagt dus 15,94% van het totale bedrag van de investeringen. Van die investeringen rekent de inspecteur € 63.268 (€ 56.515 plus 1/6 van € 40.517) toe aan de dierenarts. Vervolgens berekent hij de KIA voor de dierenarts op 15,94% van € 63.268 is € 10.085.

Onjuiste berekeningswijze
Het hof oordeelt dat deze aangepaste berekeningswijze niet strookt met de sinds 2010 gewijzigde KIA-tabel. De berekeningswijze van de inspecteur blijkt ook niet uit de parlementaire wetsgeschiedenis voor een geval als dit, waarbij de totale investeringen van de maatschap en de buitenvennootschappelijke investeringen van de maat binnen de bandbreedte blijven van het sinds 2010 bestaande vaste bedrag van de KIA. De wetgever heeft met artikel 3.41 Wet IB 2001 slechts willen voorkomen dat de deelnemers in een samenwerkingsverband samen meer KIA kunnen krijgen dan een individuele ondernemer of bv die evenveel investeert. De berekeningswijze van de dierenarts sluit volgens het hof wel aan bij deze bedoeling. Ook als de maatschap niet had geïnvesteerd, zou de dierenarts recht hebben op het vaste bedrag aan KIA van € 15.470. In een andere berekeningswijze voorziet de in 2010 gewijzigde KIA-tabel niet.

Altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen op jouw vakgebied?
Schrijf je dan nu in voor onze e-mail nieuwsbrief