De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid om gelijke gevallen anders te behandelen als daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Maar is er voor het onderscheid geen duidelijke redelijke grond, dan leidt het onderscheid tot strijd met het discriminatieverbod. De rechtbank en het hof oordeelden dat het onderscheid niet evident van een redelijke grond was ontbloot. Zij verwezen hiervoor naar de praktische uitvoerbaarheid om de aanslag verhuurderheffing op te leggen aan degene die de WOZ-beschikking ontvangt. Bovendien wijzen de rechtbank en het hof erop dat tijdens de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat degene die bij mede-eigendom de aanslag verhuurderheffing krijgt, deze kan verhalen op de mede-eigenaren.
Andere standpunt Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt echter anders. De wetgever heeft er vanuit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid voor gekozen om de aanslag verhuurderheffing op te leggen aan de degene die de WOZ-beschikking krijgt. Dit mag echter niet zover gaan dat de regeling leidt tot willekeurige uitkomsten. Bovendien is het uitgangspunt onjuist dat de verhuurderheffing zonder meer verhaalbaar is op de andere mede-eigenaren.